Interne mails tonen twijfel en beperkte dreiging tijdens ‘dronepaniek’ eind 2025 |

Uit openbaar gemaakte correspondentie, vrijgegeven via een Wob-verzoek vanuit het AD, blijkt dat hulpdiensten en veiligheidsregio’s tijdens de zogeheten ‘dronepaniek’ eind 2025 vooral zoekende waren naar duiding, richtlijnen en verantwoordelijkheden. Ondanks een duidelijke toename van meldingen, werd de feitelijke dreiging door betrokken instanties als beperkt ingeschat. Er was vooral behoefte aan een eenduidig handelingskader en betere afstemming tussen partijen.

Zoektocht naar handelingskader

In de vrijgegeven e-mails is te zien dat met name veiligheidsregio’s aandrongen op duidelijkheid over hoe te handelen bij dronewaarnemingen. Zo wordt begin december 2025 expliciet gevraagd om een “definitief handelingskader” van de politie, nadat eerder al een voorlopige versie circuleerde.

Die behoefte aan richtlijnen kwam voort uit concrete vragen uit de praktijk: wanneer is een drone verdacht, welke objecten verdienen extra aandacht, en wanneer moet er opgeschaald worden? Ook speelde de vraag hoe bestuurlijke lijnen moeten worden geïnformeerd bij incidenten.

Totdat er een definitief kader beschikbaar was, werkten betrokken partijen met tijdelijke afspraken. Daarbij gold in de meeste gevallen dat de politie “als eerste aan zet is”, terwijl veiligheidsregio’s zich vooral richtten op effectbestrijding en bestuurlijke duiding. Daarbij werd benadrukt dat het allemaal “nogal gevoelig” lag.

Veel meldingen, weinig concrete dreiging

Opvallend is dat uit meerdere overleggen en evaluaties naar voren komt dat het aantal meldingen weliswaar toenam, maar dat concrete dreigende situaties uitbleven. In een landelijke briefing wordt expliciet gesteld dat veel waarnemingen uiteindelijk terug te voeren waren op andere objecten, zoals (militaire) helikopters, vliegtuigen of zelfs satellieten.

Ook binnen de politie leefde het beeld dat er op dat moment geen sprake was van een reële dreiging richting vitale infrastructuur. In de stukken wordt vermeld dat er “geen risico op sabotage of aanvallen op vitale objecten” werd gezien. Het advies was dan ook om terug te vallen op reguliere opschalingsmechanismen en geen verstorende maatregelen te nemen. Daarbij werd opgemerkt dat jammen en uit de lucht schieten “vaak niet zo makkelijk is als het lijkt.”

Verwarring over rollen en verantwoordelijkheden

De documenten laten ook zien dat er onduidelijkheid bestond over de rolverdeling tussen verschillende instanties. Hoewel politie en Koninklijke Marechaussee als primaire verantwoordelijken werden gezien, zochten veiligheidsregio’s naar hun eigen positie binnen het speelveld.

Er werd onder meer gesproken over het opstellen van lijsten met risicovolle objecten en het bepalen wanneer bestuurlijke opschaling nodig is. Tegelijkertijd werd benadrukt dat veiligheidsregio’s niet “op de stoel van de openbare orde” moesten gaan zitten.

Daarnaast speelde de vertrouwelijkheid van informatie een rol. Overzichten van vitale infrastructuur bleken deels staatsgeheim, wat het delen van informatie met gemeenten bemoeilijkte.

Registreren en monitoren als belangrijkste strategie

Een terugkerend thema in de correspondentie is het belang van registratie. Meldingen van drones werden systematisch bijgehouden in zogeheten dagjournaals, met als doel om patronen te herkennen en een beter totaalbeeld te krijgen.

Opvallende incidenten die worden genoemd variëren van meerdere dronewaarnemingen boven onder meer Kasteel Drakensteyn, de privéwoning van prinses Beatrix, en Camp New Amsterdam, waar de Nederlandse goudvoorraad ligt, tot meldingen rond gevangenissen en stedelijke gebieden. In vrijwel alle gevallen leidde dit niet tot grootschalige inzet of opschaling, noch werden er drones in beslag genomen of bestuurders achterhaald.

Na een evaluatie begin 2026 werd zelfs besloten om de centrale registratie door het Veiligheidsinformatiecentrum stop te zetten en dit volledig bij de politie te beleggen, mede vanwege het uitblijven van relevante incidenten.

Weinig oog voor alternatieve verklaringen

Hoewel de acute dreiging beperkt werd geacht, onderstrepen de stukken dat er wel degelijk werd gewerkt aan een bredere aanpak. Die richtte zich onder meer op het verbeteren van detectiemogelijkheden en het ontwikkelen van interventiestrategieën.

Ook werd gekeken naar de rol van vitale aanbieders, die via factsheets werden geïnformeerd over hoe te handelen bij verdachte drones. Daarbij lag de nadruk op melden, documenteren en interne procedures, in plaats van zelf ingrijpen.

De vrijgegeven documenten schetsen hoe dan ook een interessant beeld van een periode waarin veel aandacht was voor mogelijke dreiging, terwijl de praktijk vooral werd gekenmerkt door onzekerheid, afstemming en het uitblijven van concrete incidenten. Opvallend is bovendien dat het handelingskader, zoals opgesteld door politie, marechaussee en het NCTV, nauwelijks inging op de mogelijkheid dat nachtelijke waarnemingen van ‘drones’ vaak een andere verklaring hebben. Het valt niet uit te sluiten dat dit heeft bijgedragen aan misidentificaties in die periode.

Wat vind jij hiervan?

      Geef een reactie

      Vergelijk items
      • Totaal (0)
      Vergelijken