Een jaar na het ‘9/11-moment’ in Denemarken: hoe Europa drones zag die er meestal niet waren |

Precies een jaar geleden, op 22 september 2025, werden rond de luchthaven van Kopenhagen meerdere drones gemeld, waarna het vliegverkeer urenlang werd stilgelegd. Vrijwel onmiddellijk sprak de Deense premier Mette Frederiksen over een hybride aanval op kritieke infrastructuur. De Deense minister van justitie maakte zelfs een vergelijking met ‘9/11’. Wat volgde was een maandenlange Europese golf van dronepaniek. Van Noorwegen tot België, Duitsland en Nederland werden plotseling overal drones gezien. Maar van hard bewijs was in de meeste gevallen geen sprake.

Twijfels vanaf dag één

In de ochtend van 23 september, slechts enkele uren na de gebeurtenissen in Kopenhagen, was ik te gast bij NPO Radio 1 om te reageren op de gebeurtenissen in Denemarken. Mijn boodschap was toen niet dat er géén drones waren geweest, maar dat we op dat moment eenvoudigweg nog niet konden vaststellen dát er drones waren geweest. Een melding van een onbekend object is immers iets anders dan een bevestigde drone. En een bevestigde drone is vervolgens weer iets anders dan een vijandige drone, laat staan een onderdeel van een door Rusland aangestuurde hybride operatie.

Ik wees daarbij ook op de opmerkelijke parallellen met de massahysterie die op dat moment precies een jaar eerder in New Jersey was ontstaan. Ook daar werden gedurende weken grote aantallen vermeende drones gemeld, terwijl later bleek dat veel waarnemingen betrekking hadden op gewone vliegtuigen, helikopters en andere objecten aan de nachtelijke hemel.

Enkele uren na de gebeurtenissen in Kopenhagen verscheen op het OSINT-platform Metabunk een alternatieve verklaring voor de waarnemingen. Daar probeerden onderzoekers de posities en bewegingen van de vermeende drones te reconstrueren en te vergelijken met regulier vliegverkeer en andere mogelijke verklaringen. Zo werd al snel een taxivliegtuigje geïdentificeerd dat door een ongebruikelijke manoeuvre mogelijk voor een drone was aangezien.

Dat was voor mij een belangrijke reden om terughoudend te blijven met conclusies. Voordat er sprake kon zijn van een hybride aanval, moest eerst worden vastgesteld dat er überhaupt drones waren geweest. Dat onderscheid zou in de maanden die volgden steeds belangrijker worden.

Van incident naar Europees dreigingsbeeld

De geopolitieke context maakte de gebeurtenissen extra gevoelig. Europa bevindt zich sinds de Russische invasie van Oekraïne in een periode van verhoogde spanningen. Sabotage, spionage en hybride oorlogsvoering zijn geen theoretische begrippen meer. Tegelijkertijd heeft de oorlog in Oekraïne overtuigend laten zien welke impact kleine drones aan het front kunnen hebben en hoe ver kamikazedrones hun doelwitten op grote afstand kunnen bereiken.

Dat maakt de dreiging van kwaadwillend gebruik van drones reëel. Maar juist daardoor ontstaat ook een gevaarlijke denkfout: omdat een bepaalde dreiging mogelijk en zelfs plausibel is, wordt een onverklaarde waarneming al snel als bewijs voor die dreiging geïnterpreteerd.

Dat gebeurde na Kopenhagen op grote schaal. Een drone werd gemeld, vervolgens werd gezocht naar een mogelijke buitenlandse actor en nieuwe meldingen in andere landen werden al snel in hetzelfde narratief ingepast. Daarbij verdwenen enkele voor de hand liggende kanttekeningen naar de achtergrond. Veel van de beschreven waarnemingen waren bovendien moeilijk te rijmen met het beeld van een vijandelijke drone. Zo zullen toestellen die gebruikt worden om mee te spioneren waarschijnlijk niet zijn uitgerust met opvallende verlichting. En laagvliegende brandstofaangedreven drones produceren veel geluid en vallen daardoor extra op.

De gebeurtenissen in onder andere Denemarken, Noorwegen, Nederland, Duitsland en België werden onderdeel van één groot narratief, doordat allerlei waarnemingen op één hoop werden gegooid zonder dat duidelijk was of de afzonderlijke incidenten überhaupt met elkaar te maken hadden.

Menselijke waarneming bleek zwakke schakel

Een van de belangrijkste lessen van het afgelopen jaar is misschien wel hoe onbetrouwbaar menselijke waarneming van luchtobjecten ’s nachts kan zijn. Dat geldt niet alleen voor burgers, maar ook voor politiemensen, militairen en luchthavenpersoneel.

Een vliegtuig dat recht op de waarnemer af vliegt, lijkt nauwelijks van positie te veranderen. Een helikopter met zoeklichten kan er totaal anders uitzien dan overdag. Een vliegtuig op grote afstand kan minutenlang lijken stil te hangen. En heldere sterren of planeten kunnen onder bepaalde omstandigheden verrassend veel weg hebben van kunstmatige lichtpunten.

Een illustratief voorbeeld is de luchthavenmedewerkster die op 22 september als een van de eersten melding maakte van vermeende drones boven de luchthaven van Kopenhagen. Haar waarneming speelde een belangrijke rol in het ontstaan van de gebeurtenissen die avond. Maanden later moest zij, na kennis te hebben genomen van de conclusies van de politie, erkennen dat het volgens de onderzoekers waarschijnlijk niet om drones ging.

Later kwam daar een psychologisch effect bij. Wie regelmatig nieuwsberichten ziet over vijandelijke drones, zal een onbekend lichtpunt eerder als drone interpreteren. En wanneer vervolgens via sociale media of nieuwsmedia wordt gemeld dat er drones zijn gezien, gaan meer mensen naar de hemel kijken met hetzelfde verwachtingspatroon. Het is een zichzelf versterkend mechanisme.

Wat de situatie extra lastig maakte, was dat er op veel plaatsen aanvankelijk nauwelijks gespecialiseerde dronedetectieapparatuur beschikbaar was om die menselijke waarnemingen te verifiëren. In de weken daarna werden systemen in allerijl geleend of aangeschaft.

In België werd bijvoorbeeld in allerijl een geavanceerd Brits detectiesysteem ingezet. Opvallend genoeg namen de meldingen van vermeende drones daarna snel af. Nederland beschikte tijdens de dronewaarnemingen bij Volkel en Eindhoven niet over dronedetectiecapaciteit: gespecialiseerde radarsystemen waren op dat moment uitgeleend aan Oekraïne. Niet veel later werden er versneld extra systemen aangeschaft, ondanks kritiek vanuit de Eerste Kamer. Nog weer later bleek dat ook voor de vermeende dronewaarnemingen bij Volkel en Eindhoven geen concreet bewijs kon worden gevonden.

Hoe dan ook ontbrak tijdens veel van de eerste incidenten precies de technische informatie die nodig was om een menselijke waarneming onafhankelijk te bevestigen of juist te ontkrachten. Een bewegend lichtpunt of de positieverlichting van een helikopter of vliegtuig werd in de hectiek al snel als ‘drone’ bestempeld.

Media werden onderdeel van de waarnemingsketen

Nieuwsmedia speelden een belangrijke rol bij de verdere verspreiding van de dronepaniek. Al vroeg publiceerden verschillende nieuwsorganisaties video’s van vermeende drones. Vaak was niet duidelijk wat er precies op de beelden te zien was. Meestal ging het om nachtelijke opnames van  luchtvaartuigen. Toch werden dergelijke beelden massaal bekeken en gedeeld.

Daarmee werden dergelijke video’s onderdeel van het probleem. Het ging niet langer om alleen verslaglegging van een gebeurtenis, maar de beelden werden zelf een aanleiding voor nieuwe waarnemingen.

Een bijzonder voorbeeld deed zich in België voor. Op Brussels Airport werden in november beelden gemaakt van wat een ‘enorme drone’ zou zijn. Uiteindelijk bleek het te gaan om een politiehelikopter die juist was ingezet om naar drones te zoeken.

De beelden waren afkomstig van minister van Defensie Theo Francken, die ze had doorgestuurd naar Het Laatste Nieuws. OSINT-onderzoekers concludeerden al binnen enkele uren dat de identificatie als drone niet klopte, terwijl diezelfde conclusie binnen de hoogste defensiekringen kennelijk niet werd getrokken. Francken heeft dat later ook erkend en noemde de fout zelf ‘bijzonder pijnlijk’.

Het voorbeeld laat zien hoe snel informatie vanuit de allerhoogste autoriteiten via de media bij het publiek kan belanden zonder dat de onderliggende waarneming voldoende is geverifieerd.

Doorlopende zoektocht naar bewijs

In de maanden die volgden, probeerde ik met vooral één vraag centraal te houden: welk bewijs is er eigenlijk voor de vermeende dronewaarnemingen? Niet omdat ik ervan uitging dat er geen drones waren, maar omdat het belangrijk was om onderscheid te maken tussen een waarneming, een bevestigde drone en vervolgens de veel verdergaande conclusie dat er sprake was van een vijandige of statelijke operatie.

Dat was niet altijd eenvoudig, zeker niet in een periode waarin de berichtgeving snel en vaak op basis van vage meldingen en beelden tot stand kwam. Toch bleef ik proberen die verschillende stappen uit elkaar te houden. Een onbekend object is nog geen drone, een drone is nog geen dreiging en een dreiging is nog geen bewijs voor de betrokkenheid van een buitenlandse staat.

Dat leidde ook tot samenwerking met verschillende reguliere media. Zo werkte samen met dagblad Trouw aan een analyse van 61 vermeende drone-incidenten in elf Europese landen, in de periode van 9 september tot en met 27 november 2025. Daarbij werd niet alleen gekeken naar wat er op het moment zelf was gemeld, maar vooral naar wat er uiteindelijk over ieder incident kon worden vastgesteld.

Het beeld dat daaruit naar voren kwam was veel minder spectaculair dan de oorspronkelijke berichtgeving deed vermoeden. In het overgrote deel van de gevallen was er geen concreet bewijs dat er daadwerkelijk een drone was geweest. In verschillende gevallen kon achteraf worden vastgesteld dat het ging om een helikopter, vliegtuig, ander luchtvaartuig of zelfs een hemellichaam. Rond de grenzen van Oekraïne met omliggende landen was er wél concreet bewijs voor drones, bijvoorbeeld in de vorm van onderscheppingen of brokstukken. Deze incidenten waren echter van een geheel andere orde.

De analyse maakte daarmee vooral duidelijk hoe groot het verschil kan zijn tussen het aantal gemelde dronewaarnemingen en het aantal gevallen waarin daadwerkelijk bewijs voor een drone beschikbaar is. Dat onderscheid was vanaf het begin relevant, maar werd naarmate de dronepaniek zich over Europa verspreidde alleen maar belangrijker.

OSINT-onderzoekers deden wat veel autoriteiten nalieten

Dronewatch stond daarbij niet alleen. Een kleine internationale gemeenschap van open source intelligence-onderzoekers speelde een opmerkelijk belangrijke rol.

Diverse onafhankelijke onderzoekers analyseerden video’s beeld voor beeld, bekeken de positie en beweging van objecten, vergeleken lichtpatronen met bekende vliegtuigtypen en legden waarnemingen naast ADS-B-gegevens van reguliere luchtvaart. Platforms als Metabunk werden belangrijke bronnen voor het ontleden van afzonderlijke meldingen.

In meerdere gevallen was binnen korte tijd zichtbaar dat een vermeende drone in werkelijkheid een vliegtuig of helikopter was. Soms kon zelfs worden vastgesteld om welk specifiek luchtvaartuig het ging.

Dat is een interessante paradox. Terwijl overheden miljoenen investeerden in geavanceerde detectiesystemen en politici bleven benadrukken dat er sprake was van vijandige dronevluchten rond vliegvelden en boven kritieke infrastructuur, konden onafhankelijke onderzoekers met openbare databronnen vaak aantonen dat een spectaculaire dronewaarneming helemaal geen drone betrof.

Dat betekent niet dat OSINT per definitie gelijk heeft en officiële instanties per definitie ongelijk. Het laat wel zien hoe belangrijk onafhankelijke verificatie is wanneer informatie schaars is en de maatschappelijke druk hoog. Tegelijkertijd waren er ook autoriteiten die zelf concludeerden dat er geen sprake was van een concrete dreiging. Zo lieten de Noorse veiligheidsdiensten weten dat er geen enkel bewijs was gevonden voor buitenlandse spionage met drones.

Volop ‘spookdrones’ in België

België werd in het najaar van 2025 het duidelijkste voorbeeld van hoe de verschillende mechanismen elkaar kunnen versterken. Na meldingen boven militaire bases en luchthavens zoals Brussels Airport werd steeds nadrukkelijker gesproken over spionage en hybride oorlogsvoering. Minister Francken wees daarbij meermaals op mogelijke Russische betrokkenheid. Opmerkelijk is dat er juist op dat moment sprake was van flinke politieke druk om snel counter-UAS-apparatuur aan te schaffen.

Dronewatch wees er juist op dat veel van de waarnemingen niet onafhankelijk waren bevestigd. Ook werd benadrukt dat technische detectiegegevens en videobeelden zouden moeten worden vrijgegeven om menselijke waarnemingen te kunnen verifiëren. Die kanttekeningen werden uiteindelijk ook door reguliere media opgepakt. NOS citeerde bijvoorbeeld expliciet over de onbetrouwbaarheid van nachtelijke menselijke waarnemingen tijdens de Belgische incidenten.

Ook Nieuwsuur stelde kritische vragen. In een uitzending werd onder meer gekeken naar de vermeende dronezwermen boven België. demonstreerde daarbij hoe eenvoudig het is om meerdere drones synchroon te laten vliegen. Daarmee werd een belangrijke aanname ter discussie gesteld: dat een groep drones die ogenschijnlijk gecoördineerd beweegt automatisch moet wijzen op een statelijke actor.

De gespannen sfeer in België kreeg een opmerkelijke wending toen twee journalisten bij Brussels Airport werden staande gehouden terwijl zij zich verdacht gedroegen met een drone in hun bezit. Dit voorval werd als eerste door naar buiten gebracht. Uiteindelijk bleek ook in België dat er geen enkel concreet bewijs kon worden overlegd voor de aanwezigheid van vijandige drones.

Van GeenStijl tot Pano en Medialogica

De kritische analyse bleef overigens niet beperkt tot en de artikelen die ik publiceerde. In de maanden daarna werd de manier waarop de dronepaniek was ontstaan steeds vaker onderwerp van onderzoek door andere media.

In november was ik te gast in een bijna drie kwartier durende podcast van GeenStijl over de Europese dronepaniek. We blikten daarin terug op de ontwikkelingen sinds Kopenhagen en bespraken onder meer de vraag hoe betrouwbaar de verschillende waarnemingen eigenlijk waren. De podcast was opgenomen net voordat de gebeurtenissen rond Volkel en Eindhoven plaatsvonden, maar veel van de vragen die daarin aan de orde kwamen, bleken ook bij latere incidenten relevant.

Ook in België werd de kwestie uitgebreid onderzocht. In het VRT-programma Pano kwamen verschillende drone-experts en journalisten aan het woord, onder wie ikzelf. Daar verschoof de centrale vraag steeds meer van waar zijn de drones? naar waren er in al die gevallen eigenlijk wel drones? In dezelfde uitzending kwam ook aan het licht dat minister van Defensie Theo Francken beelden van een politiehelikopter had doorgestuurd als vermeende dronebeelden. De kwestie kreeg vervolgens een politieke staart, met vragen in het Belgische parlement over zowel de communicatie rond de dronewaarnemingen als de aanschaf van antidronematerieel.

In Nederland werd uiteindelijk ook de mediamechaniek zelf onderwerp van onderzoek. Medialogica wijdde een uitzending aan de dronepaniek, onder de titel De Droneshow. Daarin werd gereconstrueerd hoe de paniek zich door Europa verspreidde en welke rol beelden, politici, experts en media daarbij speelden. Ook werd kritisch gekeken naar het overnemen en verspreiden van onbevestigde beelden en meldingen.

Achteraf bezien is dat misschien wel een van de interessantste ontwikkelingen van het afgelopen jaar. De vraag verschoof geleidelijk van wie zit er achter de drones? naar een veel fundamentelere vraag: hoe zijn we eigenlijk zo snel tot de conclusie gekomen dat er drones waren?

Detectie lost het probleem niet op

Een logische reactie op de onzekerheid rond menselijke waarnemingen is het inzetten van detectietechnologie. Politie en krijgsmachten beschikken inmiddels over een groeiend arsenaal aan radar, RF-detectie, elektro-optische en infraroodsensoren en andere Counter-UAS-systemen. Maar ook hier is de werkelijkheid ingewikkelder dan soms wordt voorgesteld.

RF-detectie kan een drone herkennen aan de hand van radiosignalen, maar een toestel dat niet via een detecteerbare verbinding communiceert, kan buiten beeld blijven. Radar kan een klein bewegend object detecteren, maar heeft moeite om te bepalen wat het object is. Zelfs vogelzwermen kunnen voor misidentificaties zorgen. Optische systemen en gespecialiseerde micro-Dopplerradars kunnen drones beter onderscheiden van andere objecten, maar hebben weer een beperkt bereik.

Een sensor die zegt ‘object gedetecteerd’ zegt dus nog niet automatisch ‘drone gedetecteerd’. En zelfs als vaststaat dat het om een drone gaat, is daarmee nog niet duidelijk of die een gevaar vormt. Detectie, classificatie en identificatie zijn afzonderlijke stappen die nodig zijn voor een betrouwbare dreigingsbeoordeling.

Ook geavanceerde systemen zijn daarbij niet waterdicht. Stel een systeem heel gevoelig af en het aantal potentiële dreigingen en valse alarmen loopt snel op. Filter je agressiever, dan neemt de kans toe dat een echte drone wordt gemist. De gebeurtenissen van het afgelopen jaar hebben laten zien dat dit geen theoretisch probleem is: ook gespecialiseerde systemen kunnen objecten verkeerd classificeren of een drone helemaal niet detecteren.

Sensorfusie – waarbij de input van meerdere sensoren wordt gecombineerd om één samenhangend omgevingsbeeld te creëren – kan die problemen verminderen, maar niet volledig elimineren. En daarmee zijn we er nog niet. Een ongewenste drone daadwerkelijk verstoren of uitschakelen is een volgende, veel complexere stap, waarbij bovendien het risico op nevenschade en misidentificatie moet worden meegewogen. Dit nog los van het feit dat de ontwikkelingen razendsnel gaan en anti-dronesystemen daardoor binnen enkele maanden alweer verouderd kunnen zijn.

Het idee dat Europa op korte termijn een soort elektronische koepel kan bouwen waarbinnen iedere drone automatisch wordt gedetecteerd, geïdentificeerd en onderschept, is dan ook technisch veel complexer en in de praktijk minder sluitend dan de politieke retoriek soms doet vermoeden. Een ‘drone wall’ langs de buitengrenzen van de EU lost bovendien weinig op tegen drones die vlak bij hun doel worden gelanceerd.

De theorie van drones vanaf schepen

Ook rond de vermeende Russische betrokkenheid ontstonden het afgelopen jaar steeds uitgebreidere theorieën. Een van de meest opvallende was de theorie dat drones vanaf schepen zouden worden gelanceerd, mogelijk vanaf schepen uit de Russische ‘shadow fleet’. Er zou een verband geweest zijn tussen locaties van tankers en dronewaarnemingen.

Een dergelijke theorie past goed binnen het bredere verhaal over hybride oorlogsvoering. De studie werd dan ook veelvuldig aangehaald in media. Maar dat maakt de theorie nog geen bewezen verklaring. Correlatie is nog geen causaliteit.

Diverse drone-experts wezen op de technische en operationele problemen die gepaard gaan met het langdurig opereren van drones vanaf commerciële schepen, zeker wanneer het gaat om grote aantallen vluchten over zeer lange afstanden. Het is daarom belangrijk onderscheid te blijven maken tussen een scenario dat denkbaar is en een scenario waarvoor daadwerkelijk bewijs bestaat.

Borris: wanneer een vergissing gevaarlijk wordt

Een incident bij het militaire trainingskamp Borris in Denemarken maakt duidelijk waarom het belang van correctie identificatie geen academische discussie is. Militairen openden daar het vuur op wat zij voor een drone hielden. Achteraf ontstond discussie over de vraag wat er precies was waargenomen en of een passagiersvliegtuig mogelijk in het gebied aanwezig was. Tot op de dag van vandaag bestaat hierover geen volledige duidelijkheid. Wel heeft de Deense defensie toegegeven dat er geschoten is.

Dat is een ongemakkelijke constatering. Want als een object eenmaal als vijandige drone is geclassificeerd, kan de volgende stap vergaande consequenties hebben. Denk aan jamming, spoofing, kinetische middelen of zelfs het inzetten van andere drones voor onderschepping.

Een foutieve identificatie kan daarbij leiden tot nevenschade. Niet alleen aan gebouwen of mensen in de omgeving, maar potentieel ook aan een bemand luchtvaartuig of een legitieme drone.

Leipzig is een ander verhaal

Het incident bij Leipzig is van een andere orde. Daar werd daadwerkelijk een drone gevonden die explosief materiaal bevatte. Duitse autoriteiten wezen vervolgens op mogelijke Russische betrokkenheid, maar ook daar blijven belangrijke vragen bestaan over de omstandigheden waaronder het toestel daar terechtkwam.

Het is relevant om te vermelden dat de gevonden drone niet als inkomende dreiging door een detectiesysteem was waargenomen. Evenmin kan het incident zonder meer worden aangevoerd als bewijs voor de vele andere meldingen van vermeende drones in Europa. Een drone van het type dat in Leipzig werd aangetroffen kan slechts een relatief beperkte afstand afleggen en is ’s nachts met het blote oog niet of nauwelijks waarneembaar.

Dat onderscheid is belangrijk. Het feit dat sommige meldingen onjuist blijken, betekent niet dat alle drone-incidenten dat zijn. Het incident bij Leipzig laat juist zien dat er ook concrete dronebedreigingen kunnen zijn. De verschillende incidenten moeten daarom afzonderlijk op hun feiten worden beoordeeld.

De dronepaniek is nog altijd niet voorbij

Zelfs een jaar na het uitbreken van de ‘dronepaniek’ in Europa gaat het nog regelmatig mis. Ook nu nog worden regelmatig vermeende drones gemeld rond Europese luchthavens. Vorige week was het raak in Luxemburg, waar het vliegverkeer tijdelijk werd stilgelegd na meldingen van drones.

Maar ook daar ontstond vervolgens twijfel over wat er precies was waargenomen. Al snel bleek dat veel video’s van de vermeende drones in werkelijkheid verlichting van vliegtuigen lieten zien.

Dat patroon kennen we inmiddels. Er is een melding. Het vliegverkeer wordt uit voorzorg stilgelegd. Politie en andere autoriteiten gaan zoeken. Media berichten erover. Beelden verschijnen op sociale media. Vervolgens blijkt soms dat er geen drone kan worden aangetoond. Een jaar na Kopenhagen is dat patroon inmiddels bijna voorspelbaar geworden. En blijken bepaalde lessen nog altijd niet geleerd te zijn.

Een nieuwe industrie rond een nieuwe dreiging

Ondertussen is een omvangrijke Counter-UAS-industrie ontstaan. Dat is op zichzelf logisch. Er bestaat daadwerkelijk een veiligheidsprobleem en drones kunnen daadwerkelijk worden gebruikt voor spionage, sabotage en aanvallen. Of er nu wel of geen drones waren: meer detectiecapaciteit kan helpen om verwarring te voorkomen.

Maar een industrie die oplossingen verkoopt voor een dreiging heeft vanzelfsprekend ook belang bij aandacht voor die dreiging. Dat wil niet zeggen dat fabrikanten bewust paniek veroorzaken. Het betekent wel dat beleidsmakers extra kritisch moeten zijn wanneer commerciële partijen een probleem definiëren én tegelijkertijd de oplossing daarvoor aanbieden.

De huidige geopolitieke situatie versterkt dat effect. Europese landen willen fors meer investeren in defensie en bescherming tegen vermeende hybride activiteiten. Counter-UAS maakt daar logischerwijs onderdeel van uit. Er zijn miljarden euro’s beschikbaar en leveranciers staan te trappelen om een deel van die markt te veroveren. Dat maakt het des te belangrijker om investeringen niet alleen te beoordelen op technische mogelijkheden op papier, maar vooral op aantoonbare effectiviteit in de praktijk.

De vraag zou daarom niet moeten zijn hoeveel detectiesystemen er worden aangeschaft, maar hoe goed ze aantoonbaar functioneren. Hoeveel echte drones worden gevonden? Hoeveel objecten worden verkeerd geclassificeerd? Hoe vaak wordt een vogel aangezien voor een drone? Hoeveel dreigingen worden gemist? En hoe vaak wordt uiteindelijk een legitieme drone of een bemand luchtvaartuig als vijandig aangemerkt?

Helaas blijkt in de praktijk dat Counter-UAS-systemen verre van waterdicht zijn en dat het lastig blijft om onderscheid te maken tussen legitieme en kwaadwillende drones. Nog complexer is de vraag hoe vervolgens tijdig, effectief en proportioneel tegen een mogelijke dreiging kan worden opgetreden.

Denemarken, een jaar later: wat hebben we geleerd?

Als ik terugkijk op het afgelopen jaar, is misschien wel de belangrijkste les dat ‘er is een drone gezien’ geen vaststaand feit is, maar het begin van een kritische analyse. Een waarneming moet worden bevestigd, regulier vliegverkeer moet aan de hand van ADS-B-data worden uitgesloten en beschikbare sensorinformatie en video’s moeten worden geanalyseerd. Pas daarna kun je bepalen of er daadwerkelijk een drone was en of die een bedreiging vormde.

Juist daarom heb ik vanuit steeds geprobeerd dezelfde eenvoudige vraag te stellen: waar is het bewijs? Dat gebeurde al op 23 september 2025, enkele uren na de eerste meldingen uit Kopenhagen, en daarna in talloze artikelen en samenwerkingen met onder meer Trouw, Nieuwsuur, Pano en Medialogica. Daarbij hebben ook OSINT-onderzoekers een belangrijke rol gespeeld door beelden, vliegbewegingen en openbare databronnen kritisch te analyseren.

Dat wil niet zeggen dat er geen vijandige drones boven Europa zijn geweest. Wel is duidelijk geworden dat veel van de Europese dronepaniek niet kon worden onderbouwd met het bewijs dat je bij zulke verstrekkende conclusies zou mogen verwachten.

Voor de komende jaren ligt de uitdaging daarom niet alleen in het beter detecteren van drones, maar vooral in het betrouwbaar vaststellen wat er wordt gedetecteerd. Een drone missen is een veiligheidsprobleem, maar een vliegtuig, helikopter, vogel of legitieme drone aanzien voor een vijandelijke drone kan eveneens ernstige gevolgen hebben.

Tegelijkertijd heeft de dronepaniek het publieke beeld van drones ernstig verslechterd en de roep om strengere regels en meer Counter-UAS-capaciteit versterkt. In steeds meer landen wil men de politie bevoegdheid geven om op te treden tegen drones. De vraag is echter of daarmee ook daadwerkelijk het kwaadwillende gebruik van drones wordt tegengegaan.

Een jaar later is voor mij daarom vooral deze vraag blijven staan: hoe zorgen we ervoor dat onze waakzaamheid gebaseerd blijft op feiten, en niet op angst?

En de Deense autoriteiten? Die hebben uiteindelijk moeten erkennen dat voor de oorspronkelijke waarnemingen boven Kopenhagen geen bewijs kon worden gevonden dat er daadwerkelijk drones waren. Daarmee bleek de werkelijkheid een stuk minder eenduidig dan de eerste kwalificaties van een hybride aanval op kritieke infrastructuur deden vermoeden.

NB. Mijn kritische houding in deze kwestie komt niet voort uit een financieel of politiek belang; ik heb er simpelweg voor gekozen om de gebeurtenissen met de nodige scepsis te blijven bekijken. Geen van de artikelen in het Dossier dronepaniek is op wat voor manier dan ook gesponsord of in opdracht geschreven. 

Wat vind jij hiervan?

      Laat een reactie achter

      Vergelijk items
      • Totaal (0)
      Vergelijken