Drones zijn in de afgelopen jaren uitgegroeid van nichetechnologie tot alledaags hulpmiddel voor recreatieve, commerciële en professionele gebruikers. Tegelijkertijd groeit de zorg dat dezelfde technologie kan worden ingezet voor aanslagen op politici, evenementen of kritieke infrastructuur. Uit nieuw onderzoek van de Universiteit Leiden blijkt echter dat dergelijke scenario’s in Nederland en andere westerse landen voorlopig nog relatief zeldzaam zijn, al neemt het aantal incidenten wel toe.
Inhoudsopgave
Slechts 34 incidenten in vijftien jaar
Dat concludeert promovendus en onderzoeker Stijn Willem van ’t Land in het rapport Tussen mogelijkheid en realiteit, dat werd opgesteld in opdracht van het Kenniscentrum Bewaken en Beveiligen. Voor het onderzoek werd een nieuwe dataset samengesteld met incidenten uit Europa, Noord-Amerika en Oceanië waarbij drones werden gebruikt, of bedoeld waren te worden gebruikt, voor aanslagen.
Van ’t Land identificeerde in totaal 34 incidenten tussen 2010 en 2025 waarbij een drone een rol speelde bij een aanslag of een poging daartoe. Dat aantal staat in schril contrast met de aandacht die het onderwerp krijgt in media en beleidskringen.
Meer dan de helft van de geïdentificeerde plannen kwam nooit tot uitvoering. In veel gevallen grepen veiligheidsdiensten tijdig in. Ook wanneer een aanslag daadwerkelijk werd uitgevoerd, liep deze regelmatig vast door technische problemen of operationele fouten. Slechts een beperkt aantal incidenten leidde daadwerkelijk tot het beoogde resultaat.
Toch signaleert de onderzoeker een duidelijke stijging. Zowel in 2024 als in 2025 werden acht incidenten geregistreerd, aanzienlijk meer dan in voorgaande jaren. Volgens Van ’t Land laat dit zien dat het risico niet denkbeeldig is, maar dat het huidige dreigingsbeeld soms ook wordt gevoed door ontwikkelingen buiten het Westen.
Tijdens een presentatie van de onderzoeksresultaten wees hij erop dat het debat regelmatig wordt beïnvloed door beelden uit Oekraïne, het Midden-Oosten en Mexico, waar drones inmiddels op grote schaal worden ingezet door strijdende partijen, terreurgroepen en drugskartels.
Vooral eenlingen en terroristen
Uit de analyse blijkt dat vooral eenlingen, kleine groepen en terroristische organisaties verantwoordelijk zijn voor dronegerelateerde aanslagplannen. Criminele organisaties en statelijke actoren spelen binnen de onderzochte dataset slechts een marginale rol.
Een aanzienlijk deel van de incidenten houdt verband met jihadistisch gedachtegoed. Daarbij speelt online kennisdeling een belangrijke rol. Verdachten bespreken plannen op internet, wisselen technische informatie uit of laten zich inspireren door handleidingen en propagandamateriaal waarin drones als wapen worden gepresenteerd.
Opvallend is bovendien dat meerdere verdachten beschikten over een technische of cybersecurityachtergrond. Dat ondersteunt volgens de onderzoeker het beeld dat voor een succesvolle drone-aanslag meer nodig is dan alleen het kunnen besturen van een drone.
Explosieven vormen belangrijke bottleneck
Hoewel drones diverse operationele voordelen bieden, blijken er in de praktijk ook aanzienlijke obstakels te bestaan. Een drone kan beveiligingsmaatregelen omzeilen, op afstand worden bestuurd en veel media-aandacht genereren. Juist daardoor worden ze vaak gezien als aantrekkelijk middel voor een aanslag op zwaar beveiligde doelwitten.
Tegenover die voordelen staan echter belangrijke beperkingen. Een drone alleen is niet voldoende. Voor een aanslag is doorgaans ook een explosieve lading nodig, inclusief een betrouwbaar ontstekings- en aflevermechanisme. Het verkrijgen of vervaardigen van explosieven vergroot de kans dat daders vroegtijdig in beeld komen bij de autoriteiten.
Volgens het rapport vormt juist die toegang tot explosieven in veel westerse landen een belangrijke rem op de daadwerkelijke inzet van drones als aanslagmiddel. Daarnaast zijn alternatieven zoals vuurwapens, voertuigen of conventionele explosieven vaak eenvoudiger beschikbaar en operationeel minder complex.
Hard targets als belangrijkste doelwit
Wanneer drones wel worden overwogen voor een aanslag, gebeurt dat vooral vanwege hun vermogen om beveiligingsmaatregelen te omzeilen. De onderzochte incidenten richtten zich daarom vaak op zogenoemde hard targets: locaties of personen met een verhoogd beveiligingsniveau.
Omdat commerciële drones slechts beperkte payloadcapaciteiten hebben, blijken individuele personen vaker doelwit dan grootschalige objecten. Politici, overheidsfunctionarissen en militaire locaties worden in het rapport genoemd als voorbeelden van doelwitten waarvoor drones een aantrekkelijk middel kunnen lijken.
Interessant is dat de meeste geïdentificeerde incidenten draaiden om het gebruik van de drone als direct aanslagmiddel, bijvoorbeeld door een explosief af te werpen of als kamikazedrone in te zetten. Gebruik voor voorverkenning of observatie kwam relatief minder vaak voor.
Oorlog in Oekraïne verandert het speelveld
Een belangrijk onderdeel van het onderzoek betreft de vraag waarom drones ondanks hun zichtbare succes in andere delen van de wereld nog niet op grote schaal zijn geadopteerd door kwaadwillende actoren in het Westen.
Van ’t Land ontwikkelde hiervoor een theoretisch afwegingskader waarin factoren als beschikbaarheid, gebruiksgemak, zichtbaarheid van succesvolle toepassingen en operationele voordelen worden meegenomen. Daarbij speelt de oorlog in Oekraïne een belangrijke rol.
De grootschalige inzet van FPV-drones op het slagveld heeft wereldwijd laten zien wat relatief goedkope systemen kunnen bereiken. Tegelijkertijd worden drones steeds eenvoudiger te besturen en neemt de kennis over modificaties en tactieken snel toe.
Volgens de onderzoeker verlaagt dat op termijn de drempel voor kwaadwillende actoren. Toch betekent dit niet automatisch dat drones de voorkeursmethode worden voor aanslagen. De aantrekkelijkheid van bestaande aanvalsmethoden blijft groot.
Blijvende aandacht noodzakelijk
De belangrijkste les uit het onderzoek is dat er momenteel geen aanleiding is voor alarmisme, maar evenmin voor zelfgenoegzaamheid. De dreiging van drone-aanslagen blijkt kleiner dan vaak wordt aangenomen, maar ontwikkelt zich wel degelijk.
Van ’t Land pleit daarom voor blijvende investeringen in intelligence, het beperken van toegang tot explosieven en de verdere ontwikkeling van counterdronecapaciteiten. Opvallend daarbij is dat vrijwel alle verijdelde incidenten in de dataset werden voorkomen dankzij inlichtingenwerk en niet door technische antidronesystemen.
Daarnaast waarschuwt hij voor de maatschappelijke impact van een eventuele succesvolle drone-aanslag. Juist omdat drones zo zichtbaar aanwezig zijn in het publieke debat, kan één incident, versterkt door beelden op sociale media, een disproportioneel effect hebben op het veiligheidsgevoel van burgers.